Is een veiligheidsbril met correctieglazen verplicht ter beschikking te stellen door de werkgever?
Je bent hier:

Is een veiligheidsbril met correctieglazen verplicht ter beschikking te stellen door de werkgever?

Laatst gewijzigd op: 03/05/2016

Deel dit artikel:

Vraag: is een veiligheidsbril met correctieglazen verplicht ter beschikking te stellen (en dus te betalen) door de werkgever?

Antwoord: oogbescherming is verplicht als dat blijkt uit de risicoanalyse. Een PBM mag op zich geen toegenomen risico inhouden. KB PBM Art. 6.- “Ieder P.B.M. moet in elk geval: 1° geschikt zijn voor de te voorkomen risico’s, zonder zelf een vergroot risico in te houden”. Het dragen van een spatbril over de eigen correctie kan wel degelijk een toegenomen risico inhouden.  Bovendien moeten de PBM volgens °3 : “afgestemd zijn op de vereisten met betrekking tot de ergonomie, het comfort en de gezondheid van de werknemer”. Art. 7 stelt “worden de P.B.M. door de werkgever gratis ter beschikking van de werknemers gesteld”.  Bovendien stelt artikel 9 : “…Bij deze beoordeling houdt de werkgever, in voorkomend geval, rekening met de personen die een handicap of een lichamelijk gebrek hebben, zodat bijvoorbeeld rekening gehouden wordt met de noodzaak om correctieglazen of orthopedische schoenen te dragen.”

Besluit: het advies van Premed is dat de werkgever indien van toepassing wel degelijk een veiligheidsbril met correctieglazen moet ter beschikking stellen en betalen.

 

KB PBM

Art. 6.- Ieder P.B.M. moet in elk geval:

1° geschikt zijn voor de te voorkomen risico’s, zonder zelf een vergroot risico in te houden;

2° beantwoorden aan de heersende omstandigheden op de arbeidsplaats;

afgestemd zijn op de vereisten met betrekking tot de ergonomie, het comfort en de gezondheid van de werknemer;

4° na de nodige afstelling geschikt zijn voor de drager.

Indien de aanwezigheid van meerdere risico's het nodig maakt tegelijkertijd meerdere P.B.M. te dragen, dan zijn deze op elkaar afgestemd en blijven zij doeltreffend voor de betrokken risico's.

Art. 7.- Onverminderd de toepassing van artikel 16, tweede lid van het koninklijk besluit betreffende het beleid inzake het welzijn, worden de P.B.M. door de werkgever gratis ter beschikking van de werknemers gesteld.

Art. 9.- § 1.De werkgever maakt, alvorens een P.B.M. te kiezen, een beoordeling van het P.B.M. dat hij van plan is te gebruiken om na te gaan in hoeverre dit beantwoordt aan de in de artikelen 5 en 6 gestelde voorwaarden.

Bij deze beoordeling houdt de werkgever, in voorkomend geval, rekening met de personen die een handicap of een lichamelijk gebrek hebben, zodat bijvoorbeeld rekening gehouden wordt met de noodzaak om correctieglazen of orthopedische schoenen te dragen.

Deze beoordeling omvat :

1° een analyse en een evaluatie van de risico's die niet met andere middelen voorkomen kunnen worden;

2° de omschrijving van de kenmerken die de P.B.M. moeten bezitten om de onder 1° vermelde risico's te kunnen ondervangen, rekening houdend met eventuele risicobronnen die de P.B.M. zelf kunnen vormen;

3° de evaluatie van de kenmerken van de P.B.M. die beschikbaar zijn, in vergelijking met de in 2° vermelde kenmerken.

De in deze paragraaf bedoelde beoordeling wordt herzien, telkens een wijziging optreedt in één van de onderdelen van deze beoordeling.

  • $2.Voor het opstellen van de in § 1 bedoelde beoordeling, vraagt de werkgever het advies van de preventieadviseur deskundig op het vlak van arbeidsveiligheid, evenals dat van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer belast met het gezondheidstoezicht op de werknemers.
  • $3.De verslagen en de elementen waarop deze beoordeling is gebaseerd, worden ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaren.

 

  1. Bescherming tegen radioactieve straling:

13.2. Een beschermingshoofddeksel of een aangezichtsscherm van geschikt type, naargelang van het geval, indien zij blootgesteld zijn aan uitwasemingen van radioactieve stoffen, gassen, dampen of rook of aan spatten van vloeistoffen of andere stoffen die radioactieve bestanddelen inhouden.

13.6. Een beschermingsbril of een aangezichtsscherm van geschikt type indien zij bewerkingen verrichten waardoor de ogen aan de uitwerking van de uitstralingen zijn blootgesteld en voor zover in zulk geval het gebruiken van deze beschermingsmiddelen werkelijk nuttig is (bijvoorbeeld voortbrenging van bètastralingen of van zeer zwakke straling).

 

BIJLAGE II

Lijst van activiteiten en arbeidsomstandigheden waarvoor het ter beschikking stellen van P.B.M. noodzakelijk is

  1. Beschermingsbril of aangezichtsscherm van geschikt type:
    a) werknemers wier ogen worden blootgesteld aan het contact met stoffen die een uitgesproken prikkelende werking uitoefenen op de ogen, zoals het stof van steenkoolpek en andere stofdeeltjes of dampen van bijtende stoffen;
    b) werknemers die tewerkgesteld zijn aan het las- of snijwerk van metalen met de brander of met de elektrische lichtboog;
    c) werknemers die tewerkgesteld zijn aan het onderzoek van intense lichthaarden, zoals de binnenkant van ovens, of van stoffen die tot witte gloeihitte zijn gebracht, zoals staal en gesmolten glas;
    d) werknemers die tewerkgesteld zijn aan de bewerkingen waarbij infrarode stralen of stralingen die aanleiding geven tot een intense warmteverspreiding worden gebruikt;
    e) werknemers die tewerkgesteld zijn aan de bewerkingen waarbij lampen met elektrische lichtboog of andere bronnen van ultraviolette stralen worden gebruikt;
    f) werknemers die tewerkgesteld zijn aan het droog slijpen, het houwen met wegslingering van scherven, het bikken, het schoon hameren of aan andere bewerkingen die kunnen aanleiding geven tot het wegslingeren van kwetsende deeltjes, van weggesmolten metaal, van bijtende vloeistoffen, enz. die de ogen kunnen aantasten;
    g) werknemers die aan kankerverwekkende en mutagene agentia kunnen blootgesteld worden:

− tijdens de werkzaamheden waarbij de blootstelling niet kan vermeden worden door preventieve maatregelen, zoals voorzien in de artikelen 5, 6, 8 en9 van het koninklijk besluit van 2 december 1993 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan kankerverwekkende en mutagene agentia op het werk;

− tijdens werkzaamheden, zoals onderhoudswerken, afbraakwerken, vernieuwingswerken, verbouwingswerken, waarvoor de blootstelling aan deze agentia kan voorzien worden, niettegenstaande de genomen organisatorische maatregelen of de collectieve preventiemaatregelen;