Keuze van het blusmiddel
Je bent hier:

Keuze van het blusmiddel

Laatst gewijzigd op: 21/04/2017

Deel dit artikel:

KEUZE VAN HET BLUSMIDDEL

Brandklassen

De keuze van het blusmiddel wordt in de eerste plaats bepaald door de overheersende brandklasse in de zone die door het blustoestel wordt bediend. Waar meerdere brandklassen samen voorkomen dient het type blustoestel zo gekozen worden zodat alle brandklassen behandeld worden.

De verschillende brandklassen worden weergegeven in de tabel, samen met het symbool.

Types blusmiddelen

Water

Water is het meeste gebruikte blusmiddel en geschikt voor het blussen van klasse A branden. Om het blusvermogen te verbeteren kunnen toevoegmiddelen worden toegevoegd, waarvan een schuimmiddel het meest gebruikte is.

Water / schuim

Een water / schuimblusser is geschikt voor het blussen van klasse A branden, maar kan doordat het schuim zich over het oppervlak verdeelt en zo de brand verstikt ook gebruikt worden voor het blussen van klasse B branden.

Bluspoeder

Poederblussers zijn beschikbaar met verschillende soorten bluspoeder. De meest gekende zijn BC-bluspoeder en ABC-bluspoeder, respectievelijk geschikt voor BC- en ABC-vuurhaarden. Belangrijke voordelen van poederblussers zijn hun groot blusvermogen, brede inzetbaarheid en de relatief lage kostprijs. Een belangrijk nadeel is de grote nevenschade die ontstaat door de verspreiding van het zeer fijne bluspoeder, vooral bij elektronische apparatuur. Stilaan worden ze dan ook teruggedrongen door de schuimblussers.

Ook de blustoestellen voor metaalbranden zijn in hoofdzaak van het type poederblusser, doch met speciaal type bluspoeder.

Koolstofdioxide of CO2

Koolstofdioxide is geschikt voor het blussen van klasse B en C branden. Het blusvermogen is echter veel beperkter (ongeveer 1/6e) dan dit van bluspoeders. De blustoestellen zijn meteen te herkennen aan de zwarte expansiekoker aan het uiteinde van de blusslang. De blussers zijn tussen expansiekoker en slang voorzien van een handvat dat men moet vasthouden bij het blussen om zich zo te beschermen tegen de zeer koude temperaturen bij het blussen (tot -80°C).

Natte chemicaliën

Dit is een type blusmiddel (chemisch blusschuim) dat beter geschikt is voor het blussen van klasse F branden dan water/schuim, CO2 en bluspoeder. Dit schuim gaat de verbinding aan met het frituurvet, dekt dit beter af en zorgt voor een sterk koelende werking.

Blusgassen

Blusgasinstallaties zijn bijzonder geschikt voor toepassing in ruimten met gevoelige of kostbare elektrische of elektronische apparatuur. De werking is vaak gebaseerd op het verdringen van de zuurstof in de ruimte om zo de brand te bedwingen. Typisch voor deze installaties is het toegangsverbod tot de ruimten wanneer de blusinstallatie in werking treedt.

BEPALING VAN HET AANTAL BLUSTOESTELLEN

De bescherming met blustoestellen van een gebouw of installatie bestaat uit een algemene zonebescherming en een bijkomende bescherming voor specifieke activiteiten en objecten.

De bepaling van het aantal blustoestellen geschiedt op een zone-per-zone basis. Na het bepalen van deze zonebescherming dient men na te gaan welke bijkomende blustoestellen nodig zijn op specifieke plaatsen.

Algemene zonebescherming

Het aantal blustoestellen hangt af van de vloeroppervlakte van de zone (m²), de aard van het brandgevaar, het blusvermogen van de toestellen en de maximum loopafstand tot het meest nabije blustoestel.

Zone-indeling

Verdieping per verdieping wordt het gebouw ingedeeld in basiszones, waarbij voor elke basiszone geldt dat:

  • er hetzelfde type activiteit plaatsgrijpt EN
  • er dezelfde overheersende brandklasse is EN
  • alle delen van de zone aanpalend zijn

Aard van het brandgevaar

Voor elke zone stelt men de overheersende brandklasse vast:

  • Overheersende brandklasse A
  • Overheersende brandklasse B
  • Brandklassen A en B beiden significant aanwezig
  • Overheersende brandklasse D

Aard van het brandrisico

De aard van het brandrisico wordt ook bepaald door de activiteiten, waarin we onderscheiden:

  • activiteiten met laag brandgevaar (type L)
  • activiteiten met matig brandgevaar (type M)
  • activiteiten met hoog brandgevaar (type H)

Voorbeelden van de verschillende activiteit types zijn:

  • Type L: industrie van onbrandbare materialen zoals steen, beton, glas en staal, bij natte processen, in kantoorgebouwen (uitgezonderd archieven), in computerzalen…
  • Type M: voedingsnijverheid met droge processen (bakkerijen,…), montage van voertuigen en huishoudtoestellen, confectienijverheid, bedrijfskeukens, in residentiële gebouwen, in ruimten die voor het publiek toegankelijk zijn, in archieven en bibliotheken, in de meeste handelszaken,…
  • Type H: houtbewerkingsnijverheid, textielnijverheid, verwerking van kunststoffen, verwerking van papier, drukkerijen, bij afvalverwerking, in theaters, discotheken, cinemazalen,…

Methode van de basiseenheden

Het aantal vereiste blusmiddelen wordt voor elke zone bepaald via de methode van de bluseenheden:

Voor een overheersende brandklasse A betekent dit:

  • 1 bluseenheid per 150m² (activiteiten met laag en matig brandgevaar)
  • 1 bluseenheid per 100m² (activiteiten met hoog brandgevaar)

LET OP: indien geen andere blusmiddelen aanwezig zijn (haspels, sprinklers,…) moet dit aantal bluseenheden verdubbeld worden!

Voor een overheersende brandklasse B voorziet men:

  • 1 bluseenheid per 100m²

Voor een overheersende brandklasse D wordt het aantal en type van de blustoestellen bepaald in overleg met de leverancier van de blustoestellen. De keuze wordt evenwel aan de bevoegde instantie (brandweer, brandverzekeraar) voorgelegd.

Het gebruik van CO2 blussers is af te raden als algemene bescherming van een gebouw, maar is eerder aangeraden voor objectbescherming.

Wat is nu 1 bluseenheid?

Dit is deels afhankelijk van het type blusmiddel, maar algemeen kan gesteld worden dat dit overeen komt met een blusser van 6kg ABC-poeder of 6liter water/schuim.

In een zone met overheersende brandklasse A moeten de toestellen zo geplaatst worden dat de afstand tot het meest nabije toestel niet groter is dan:

  • 20m gemeten volgens de looplijn van de doorgangen
  • of 15m gemeten van punt tot punt in de ruimte

In een zone met overheersende brandklasse B moeten de toestellen zo geplaatst worden dat de afstand tot het meest nabije toestel niet groter is dan:

  • 15m gemeten volgens de looplijn van de doorgangen
  • of 10m gemeten van punt tot punt in de ruimte

Voor zover deze maximale afstanden nageleefd worden mogen de blustoestellen evenwel gegroepeerd worden

Loopafstand

Bij de plaatsing van de blustoestellen moeten een aantal regels in acht gehouden worden.

In een zone met overheersende brandklasse A moeten de toestellen zo geplaatst worden dat de afstand tot het meest nabije toestel niet groter is dan:

  • 20m gemeten volgens de looplijn van de doorgangen
  • of 15m gemeten van punt tot punt in de ruimte

In een zone met overheersende brandklasse B moeten de toestellen zo geplaatst worden dat de afstand tot het meest nabije toestel niet groter is dan:

  • 15m gemeten volgens de looplijn van de doorgangen
  • of 10m gemeten van punt tot punt in de ruimte

Voor zover deze maximale afstanden nageleefd worden mogen de blustoestellen evenwel gegroepeerd worden.

Bijkomende bescherming

In een gebouw vragen bepaalde objecten met specifiek brandrisico bijzondere aandacht. Voorbeelden hiervan zijn technische installaties, lasinstallaties, zones met brandbare vloeistoffen of gassen,…

Objecten zoals verwarmingsinstallaties, computersystemen, elektrische energievoorzieningen, transformatoren en condensatoren, compressoren, elektrogeneratoren hebben een specifiek brandrisico en vergen ten minste één bijkomend (geschikt) blustoestel in de omgeving, tenzij:

  • het gekozen blusmiddel voor de algemene zonebescherming reeds geschikt is voor dit specifieke risico
  • EN het blustoestel zich op minder dan 5m van het object bevindt

Heel wat andere types van zones en activiteiten vereisen eveneens bijkomende blustoestellen. Deze zijn echter het onderwerp van een meer doorgedreven onderzoek ter bepaling van het aantal en type blustoestellen en worden hier niet in detail besproken.

Het gaat ondermeer om:

  • Opslagplaatsen van brandbare vloeistoffen en gassen in gebouwen / buiten gebouwen
  • Zones van hoogstapeling
  • Werkzones voor brandbare verven
  • Buitenopslag van brandbare producten (paletten, karton, plastic, afval…)
  • Tijdelijke werkzaamheden met open vlam
  • Koelhuizen en vriesinstallaties

Een veel voorkomende specifieke situatie zijn keukens waar frituurpannen aanwezig zijn. Hier moeten bijkomende blustoestellen voor de brandklasse F voorzien worden.

PLAATSING VAN DE BLUSTOESTELLEN

Als algemene regel geldt dat blustoestellen duidelijk zichtbaar dienen opgesteld te worden voor de personen die ze moeten gebruiken. De meest geschikte plaatsen zijn uitgangen, doorgangen naar (nood)uitgangen, trappenzalen,…

Blustoestellen mogen niet geplaatst worden naast risico’s die hun gebruik kunnen verhinderen.

Blustoestellen mogen in kasten geplaatst worden voor zover deze, ofwel een transparante deur hebben, ofwel voorzien zijn van het pictogram voor blustoestellen conform de wetgeving.

Draagbare blustoestellen dienen bevestigd te worden aan hun steunen of houders. Mobiele blussers bevinden zich op een afgebakende en voor hen bestemde plaats. De plaatsen van de blustoestellen worden met pictogrammen conform aan de wetgeving aangeduid.

INSTANDHOUDING EN PERIODIEK ONDERHOUD

De leverancier van de blustoestellen zal aan de exploitant van een gebouw – of zijn afgevaardigde – de nodige documenten leveren voor het correct gebruik van de toestellen.

De exploitant of zijn afgevaardigde stelt een persoon aan die zorg draagt voor de instandhouding van de blustoestellen. Hij stelt eveneens een bevoegd bedrijf aan dat zorgt voor het periodiek onderhoud (jaarlijks) van de blustoestellen conform de norm NBN S21-050.